Een moderne pelgrimage

Erhan Gürer, Een moderne pelgrimage

Ooit droomde ik van een paardentocht dwars door het Anatolische hartland. Eind juli ontving ik een nieuwsbrief van de Stichting Sufi Trail. Het was geen paardentocht en de route was korter, van Emirdağ naar Konya. Bovendien was ik geen echte pelgrim. Onze bagage zou vervoerd worden per taxi. We hoefden alleen maar te lopen, te genieten van de herfstzon en natuur, de rust en de inspirerende Anatolische steppe. Dus schreef ik me meteen in.

De reis begon in het dorre Emirdağ, de herkomstplaats van vele gastarbeiders, vooral woonachtig in Brussel en Haarlem, de laatste tevens de vestigingsplaats van de Sufi Trail. Emirdağ was een typische steppenstad; kaal, stoffig, grijs en slaperig. Levendigheid vond je in het restaurant op het kruispunt van het stadje, waar ook de niet zo lang geleden opgerichte klokkentoren stond, én het hippe en modern ingerichte café tegenover ons hotelletje, waar je de lekkerste koffiesoorten kon krijgen.

Het thema van onze veldtocht was soefisme, dus onze eerste bestemming was de graftombe van de heilige Emir Dede op de Emir Dağı (Emir Berg). Ik zou gedurende de reis ontdekken dat meer plaatsen hun naam te danken hebben aan de dichtstbijzijnde berg. De bergen waren de schuilplaats van soefi’s en rovers, zo had een Turkse schrijver ooit gezegd. Wij hoefden alleen maar rekening te houden met voldoende drinkwater en de agressieve herdershonden. Gelukkig had Sedat, onze reisbe(ge)leider, een fluitje waarmee hij naar de herder floot zodat deze zijn hond in bedwang kon houden.

Bergafwaarts ging de route langs Yapraklı waar twee waterdammen via ondergrondse pijpleidingen leven brengen aan de huizen van Emirdağ en de akkers eromheen. De zomer was allang voorbij dus de dammen stonden nagenoeg leeg, wachtend op het sneeuw en de regen om het komende voorjaar en de zomer Emirdağ’ers weer van water te kunnen voorzien. De wandeltocht leidde langs bergen en dalen waar huiveringwekkende rotsen in het zachte avondlicht met onze verbeelding aan de haal gingen.

Het onherbergzame gebied had een verrassing voor ons in petto: Kemerkaya. Een vriendelijk stadje dat mij terugbracht naar mijn jeugd in de jaren zeventig van de vorige eeuw. Lage huizen met voortuintjes en gastvrije mensen. Het  sfeer was hier intiemer en de Turkse koffie in het dorpscafé was een waar genoegen na een inspannende dag. We besloten unaniem dat we de volgende dagtocht hier in het dorpscafé zouden beginnen, ná een heerlijke Turkse koffie.

Een gewone reiziger gaat van stad naar stad, een soefi van berg naar berg. Dus, op naar de volgende bestemming: de Sultandağı. Ditmaal niet de schuilplaats van de soefi of de rover, maar het jachtgebied van de Seldjoekse sultan. We kwamen tevens aan bij het begin van het bekende Merengebied. Mensen die ik sprak zeiden dat de meren vroeger aan de plaatsten Eber en Akşehir grensden, maar dat ze nu nog maar één derde van hun water over hadden. Volgens sommigen door de bouw van de stuwdammen, volgens anderen door de klimaatverandering, al naar gelang de politieke overtuiging van de gesprekspartner.

Sultandağı en Akşehir zijn groener en rijker dan Emirdağ. Het is een van de belangrijke centra van kersenteelt in Turkije. In Sultandağı vroeg ik aan de eigenaar van Şekerim Grand Hotel wie hun gasten waren. Kersenhandelaren en jagers zei hij. De gerestaureerde Seldjoekse karavaanserail bevond zich schuin tegenover het hotel. Ik maakte eerst foto’s en ging toen zitten aan een van de tafels van het inpandige café. Er kwamen alleen jongeren naar dit café en de muziek stond heel hard. Een luid protest tegen de stilte en de verveling van de steppe?

Vanaf Sultandağı volgde het pad de berghellingen van de Sultan Dağı, langs fruitgaarden en graven van heiligen. De beekjes waren allang droog en de walnotenbomen al lang kaalgeplukt. Toch vonden we een enkele walnoot en aten die op. De dorpelingen plukten de laatste appels, de vrouwen pelden de laatste uien voor de uienfabriek. Hier en daar te drogen gelegde amandels. We kregen appels en werden uitgenodigd voor thee in de theehuizen. “Waar is jullie auto?” vroegen ze, denkend dat we voor een dagtrip waren gekomen.

In Akşehir ontdekte ik een café dat associaties opriep met het einddoel van de pelgrimsroute: Yemen Kahvesi. De koffie kwam met chocolaatjes en mint-likeur, uit Yemen. Tegenover het café bevond zich de begraafplaats waar ook het graf lag van Nasreddin Hoca, geestelijke en filosoof die bekend staat om zijn verhalen en anekdoten, tot ver buiten de grenzen van Turkije. Toch was er iets vreemds aan de hand; toen ik naar een boekhandel zocht, zei men dat die niet bestond. Alleen kantoorboekhandels waar je schoolboeken en enkele literatuurlijst-romans kon krijgen. En dat voor een stad met honderdduizend inwoners. Ik troostte me met de gedachte dat je tegenwoordig ook boeken kon bestellen via internet.

Vanaf Akşehir tot aan Konya werd het idyllischer. Glooiende dalen afgewisseld door bergen met dennenbossen. Met het binnenhalen van de oogst troffen dorpelingen ook hun wintervoorbereidingen: in geitenvacht geperste kaas te drogen hangen in de grotten, het opstapelen van flinterdunne en krokante bladerdeeg, het binnendragen van aangeschafte steenkool. Buiten hun dorpen kwamen de dorpelingen niet meer. We konden soms uren lopen zonder iemand tegen te komen.

Omwille van de gelijkmatige verdeling van de afstanden, twintig kilometer per dag, was Sille onze voorlaatste stop. Een toeristenplaatsje waar de drukte van de zomer nog nagalmde in de oren van de middenstand en waar een enkele verliefde paaruit at. In Konya wachtte ons een verrassing; de sarcofaag van Rumi, het doel van onze reis was tijdelijk afgeschermd wegens restauratie. Wat zei men ook alweer? De reis is belangrijker dan de bestemming. Inderdaad; de reis was onvergetelijk, de bestemming altijd ongewis.

Erhan Gürer